Bouw je privévermogen op? Dan is box 3 allang geen technisch belastingonderwerp meer. Het raakt aan rendement, liquiditeit, keuzes in je vermogensopbouw en de vraag hoeveel fiscale onzekerheid je (nog) accepteert. Precies daar zit nu de spanning.
Het huidige box 3-stelsel is tijdelijk en voelt voor veel mensen als een tussenoplossing. Het voorgestelde stelsel vanaf 2028 moet meer aansluiten op de werkelijkheid, maar roept tegelijk nieuwe vragen op. En juist daarom twijfelt de Eerste Kamer nu zichtbaar.
De kern? De politiek wil af van fictie. Maar de route naar een beter systeem is nog allesbehalve strak.
Op dit moment geldt in box 3 nog het forfaitaire stelsel met tegenbewijsregeling. In gewone taal: de Belastingdienst rekent nog steeds met forfaitaire rendementen, maar je kunt tegenbewijs leveren als je werkelijke rendement lager was.
Dat is belangrijk om scherp te hebben. Het huidige systeem is geen definitieve oplossing, maar een tijdelijke variant na het zgn. Kerstarrest van eind 2021 van onze hoogste rechter en de daaropvolgende rechtspraak. De boodschap van de Hoge Raad was helder: belasting heffen op fictief rendement is problematisch als dat te ver afstaat van de werkelijkheid.
Daarmee zitten we nu in een ongemakkelijke fase. Het oude systeem is juridisch onderuitgehaald, het tijdelijke systeem geeft niet echt rust en het nieuwe systeem is nog niet definitief.
Voor veel mensen met vermogen is dat een lastige combinatie. Je wilt vooruitkijken, maar de spelregels bewegen nog steeds.
Het oude systeem is juridisch onderuitgehaald, het tijdelijke systeem geeft niet echt rust en het nieuwe systeem is nog niet definitief.
Als het wetsvoorstel wordt aangenomen, wil het kabinet per 1 januari 2028 overstappen naar een stelsel op basis van werkelijk rendement. De hoofdlijnen zijn als volgt:
Op papier is de gedachte goed te volgen. Wie werkelijk rendement belast, sluit beter aan bij wat iemand echt verdient op vermogen. Dat is beter uitlegbaar dan belasting heffen op een rendement dat iemand misschien nooit heeft behaald.
Maar daar stopt de discussie niet. Want zodra je zegt dat ook waardestijging meetelt, komt direct de volgende vraag op tafel: wanneer is rendement echt rendement?
In het voorstel zit precies daar het onderscheid. Voor veel vermogensbestanddelen wordt uitgegaan van vermogensaanwasbelasting. Dat betekent dat jaarlijkse waardestijgingen worden belast, ook als je nog niets hebt verkocht. Voor vastgoed en bepaalde belangen, zoals aandelen in startups en scale-ups, wordt juist meer aangesloten bij vermogenswinstbelasting: belasting op het moment van verkoop. Dat lijkt technisch, maar het verschil is groot.
Bij vermogensaanwasbelasting betaal je belasting over groei op papier. Bij vermogenswinstbelasting betaal je pas zodra de winst ook echt gerealiseerd is. En dat is niet alleen een fiscaal verschil. Het raakt ook aan gevoel, timing en liquiditeit.
De discussie over box 3 gaat allang niet meer alleen over percentages en definities. Het gaat over een fundamentelere vraag: wat vindt Nederland een redelijke manier om vermogen te belasten?
Voorstanders van het nieuwe voorstel wijzen erop dat een stelsel op basis van werkelijk rendement eerlijker is dan een forfaitair model. Het maakt meer onderscheid tussen situaties en sluit beter aan bij de realiteit van spaarders, beleggers en vastgoedbezitters.
Tegenstanders leggen de vinger op een ander punt. Zodra ongerealiseerde waardestijging wordt belast, kan er belastingdruk ontstaan zonder dat er cash vrijkomt. En precies dat schuurt. Dat maakt box 3 op dit moment zo interessant. Niet omdat het alleen over belasting gaat, maar omdat hier drie dingen samenkomen: rechtvaardigheid, uitvoerbaarheid en economische logica.
Voor spaarders is het verhaal nog relatief overzichtelijk. Ontvang je rente, dan is dat rendement. Daar kun je fiscaal vrij goed op aansluiten.
Voor beleggers wordt het spannender. Stijgt een effectenportefeuille in waarde, dan kan dat in het voorgestelde stelsel leiden tot belastingheffing, ook als er niets is verkocht. Dat maakt box 3 ineens minder een heffing achteraf en meer een jaarlijkse afrekening op basis van marktbewegingen.
Voor vastgoed ligt het weer anders. Daar wil de wetgever juist meer aansluiten bij belastingheffing op het moment dat winst gerealiseerd wordt, terwijl de directe opbrengsten zoals huur wel jaarlijks meetellen.
Dat hybride karakter maakt het voorstel interessant, maar ook complex. Niet ieder vermogensbestanddeel volgt dezelfde logica. En juist dat vraagt om scherpte van de wetgever én van de belastingplichtige.
De bezwaren tegen het wetsvoorstel komen uit verschillende hoeken, maar draaien steeds terug naar een paar centrale punten:
1. Belasting op papieren winst voelt voor veel mensen moeilijk uitlegbaar
Dat is misschien wel het meest besproken bezwaar. Als een belegging op papier meer waard wordt, is dat economisch relevant. Maar het is nog geen gerealiseerde opbrengst. Veel critici vinden het daarom lastig uitlegbaar dat de belastingclaim al volgt voordat er verkoop heeft plaatsgevonden.
Die kritiek leeft niet alleen onder beleggers, maar ook in de Eerste Kamer.
2. De liquiditeitsvraag blijft overeind
Een belasting is uiteindelijk niet alleen een rekensom, maar ook een cashvraag. Zeker bij minder liquide bezittingen of grotere portefeuilles kan de timing van belastingheffing een belangrijk punt worden.
Dat hoeft niet altijd een probleem te zijn, maar het is ook niet iets wat je kunt wegwuiven. Voor mensen die vermogen opbouwen met een lange horizon is timing vaak net zo belangrijk als tarief.
3. Het voorstel oogt als tussenfase én eindmodel tegelijk
Dat maakt de politieke discussie lastig. Tegelijk met dit voorstel klinkt al dat een verdere beweging naar vermogenswinstbelasting logisch kan zijn. Dan ontstaat bijna automatisch de vraag: bouwen we nu een duurzaam stelsel of eerst een (nieuwe) tussenstap?
En als het een tussenstap is, hoe verstandig is het dan om die volledig op te tuigen?
4. De complexiteit neemt toe
Dat is misschien minder zichtbaar in de headlines, maar in de praktijk wel relevant. Een belastingstelsel moet niet alleen juridisch kloppen. Het moet ook uitvoerbaar zijn, uitlegbaar blijven en werkbaar zijn voor burgers, adviseurs en Belastingdienst.
Een hybride box 3-stelsel schuurt al snel tegen die grens aan.
De twijfel in de Eerste Kamer komt niet uit het niets. Tijdens deskundigenbijeenkomsten en in de politieke discussie zijn drie vragen steeds nadrukkelijker naar voren gekomen:
a. Is dit de juiste systematiek?
De discussie gaat niet alleen over de vraag óf werkelijk rendement belast moet worden, maar vooral hóé. Vermogensaanwasbelasting heeft economische voordelen, zeggen sommige deskundigen. Anderen vinden vermogenswinstbelasting beter passen bij rechtsgevoel, liquiditeit en internationale vergelijkbaarheid.
b. Is nu invoeren verstandig?
Dat is de tweede grote vraag. Als al wordt nagedacht over verdere aanpassing van het voorstel, onder meer rond verliesverrekening en de route daarna, dan is het logisch dat senatoren zich afvragen of de wet al rijp is voor behandeling.
c. Geeft dit eindelijk duidelijkheid?
Misschien is dat nog wel de belangrijkste vraag. Want uiteindelijk is een imperfect systeem mét stabiliteit soms beter werkbaar dan een mooier systeem waar om de paar jaar opnieuw aan wordt gesleuteld.
En precies op dat punt is box 3 nog niet overtuigend rustig geworden.
De richting van de wetgever is begrijpelijk. Een belasting op werkelijk rendement is in de kern beter verdedigbaar dan een heffing op fictie. Dat is winst. Tegelijk laat deze discussie zien hoe moeilijk het is om van een onrechtvaardig eenvoudig systeem naar een rechtvaardiger werkbaar systeem te komen.
Want zodra je dichter op de werkelijkheid gaat belasten, neemt ook de complexiteit toe. En zodra je waardestijgingen meeneemt, komt de spanning tussen theorie en praktijk direct naar boven. Dat maakt dit geen zwart-witdiscussie. Er zijn goede argumenten vóór aanwasbelasting. Er zijn ook goede argumenten vóór winstbelasting. De echte uitdaging zit in de combinatie van rechtvaardigheid, eenvoud, liquiditeit en uitvoerbaarheid.
En precies daarom is de terughoudendheid in de Eerste Kamer goed te begrijpen.
Box 3 is op dit moment geen onderwerp voor snelle conclusies. Het is een onderwerp waar je met scenario’s naar moet kijken.
De verleiding is groot om al direct op het nieuwe stelsel vooruit te lopen. Toch is dat voor de meeste mensen nog te vroeg. Wat nu wel slim is:
Box 3 is op dit moment namelijk geen onderwerp voor snelle conclusies. Het is een onderwerp waar je met scenario’s naar moet kijken.
De box 3-discussie is nog niet voorbij. Nu niet, en waarschijnlijk ook niet na één wetsbehandeling. Voorlopig is dit het speelveld: een tijdelijk stelsel in het heden, een ambitieus maar omstreden voorstel voor 2028 en een Eerste Kamer die terecht doorvraagt voordat zij instemt. Dat is misschien frustrerend. Maar het dwingt wel tot een betere vraag.
Niet: wat wordt box 3? Maar: welk stelsel is op lange termijn uitlegbaar, uitvoerbaar en vol te houden? Dat is de discussie die nu gevoerd moet worden. En eerlijk gezegd: die had er al veel eerder moeten zijn.
Wielingenstraat 133
4e verdieping
1441 ZN Purmerend
James Wattstraat 100
2e verdieping
1097 DM Amsterdam
Max Euwelaan 55
2e verdieping
3062 MA Rotterdam
Wil je op de hoogte blijven? Meld je aan voor onze nieuwsbrief!